Bus Stop
In 'Bus Stop' neemt de lezer plaats op een bankje bij een bushalte, niet in een grote stad, maar op het platteland. Daar, tussen de velden en onder een eindeloze hemel, wacht een moeder met haar zoontje op de bus naar de stad. Het is een koude, grijze ochtend. De moeder is zenuwachtig, ze friemelt aan haar tas en kijkt steeds op haar horloge. Het jongetje, Tom, verveelt zich en begint vragen te stellen. Waarom gaan ze naar de stad? Wat gaan ze daar doen? De moeder antwoordt kortaf, ze wil niet praten. De bus is laat. Een oude man komt eraan, hij gaat ook op de bus wachten. Hij groet vriendelijk en gaat een eindje verderop zitten. De moeder ontspant een beetje, maar blijft gespannen. Tom begint met de oude man te praten. De man vertelt over de tijd dat hij hier als kind speelde, toen er nog geen bushalte was. De bus komt eindelijk. Ze stappen in. De rit is stil. De moeder staart uit het raam. Tom kijkt naar de voorbijtrekkende landschap. In de stad aangekomen, lopen ze door straten vol mensen. De moeder houdt Toms hand stevig vast. Ze gaan een groot gebouw binnen, een ziekenhuis. Tom begrijpt nu waarom ze er zo gespannen uitzag. Ze bezoeken een zieke man, waarschijnlijk zijn vader. Het bezoek is kort en emotioneel. Daarna gaan ze weer naar de bushalte. De terugrit is anders. De moeder is rustiger. Ze praat met Tom over de lente die komt. Thuisgekomen, is het al donker. Tom kijkt naar de sterren en denkt aan de oude man. Hij vraagt zich af of hij de man ooit nog zal zien. Het verhaal eindigt met een gevoel van hoop en verbondenheid, ondanks de zorgen van het leven.